Meteen naar de inhoud

Contactbreuk, een loyaliteitsconflict

Laat me de term contactbreuk even kaderen.

In de wetenschappelijke literatuur wordt gesproken over ouderverstoting, oudervervreemding of PAS (Parental Alianation Syndrome) om de breuk tussen een kind en ouder naar aanleiding van een hoog conflictueuze echtscheiding aan te geven.

Verschillende klinische wetenschappers en onderzoekers hebben onderzoek verricht naar ouderverstoting. Uit het grote aanbod zal ik me beperken tot Richard Gardner omdat hij de eerste was die naar de problematiek verwees als zijnde een syndroom. Aanvullend heb ik gekozen voor de definitie van Kelly en Johnston. Zij bieden een bredere, alternatieve definitie aan. 

R.Gardner

Het was de Amerikaanse psychiater Richar Gardner die in 1985 voor het eerst sprak van het Parental Alienation Syndrome, sindsdien afgekort als PAS. In België en Nederland gebruikt men de term ouderverstoting. Hoewel een meer correcte vertaling oudervervreemding is.

Volgens Richard R. Gardner is PAS een te diagnosticeren syndroom, dat zichtbaar wordt in acht symptomen. Ten eerste is er sprake van een groot conflict tussen scheidende ouders. Meer bepaald wanneer zij samen een akkoord moeten vinden over de verblijfsregeling. Ten tweede ziet men dat vanuit de strijd om het kind, de inwonende ouder het kind tegen de uitwonende ouder opzet. Het kind wordt een speelbal in de handen van de inwonende ouder. Na voldoende indoctrinatie kan het kind beslissen om het contact met de uitwonende ouder te verbreken. Ten derde lijkt het kind de verbinding met de uitwonende ouder helemaal verloren te zijn geraakt. Dit wordt duidelijk door het gemak waarmee het kind zijn ouder aan de kant zet, zonder blijk van schuldgevoel (4de symptoom). Een vijfde symptoom ligt in het gebruik van absurde en irreële argumenten om de verstoting terechtvaardigen. Bij derden wekt dit de indruk dat het kind geargumenteerd en zelfstandig de beslissing neemt. Maar wie beter luistert, zal horen dat de woorden en redenen die het hiervoor aanhaalt, niet gebruikelijk zijn voor kinderen van die leeftijd (6de symptoom). Vaak citeert het kind de inwonende ouder en begrijpt het zelf niet goed wat het zegt. Een zevende symptoom is het zwart-wit denken van het kind. De inwonende ouder is alleen maar goed, de uitwonende ouder alleen maar slecht. In de beleving van het kind is de inwonende ouder de zwakkere die zijn steun nodig heeft. En ten laatste verwijst Gardner naar het feit dat ook de familie van de uitwonende ouder door het kind verstoten wordt. Zo verliest het kind het contact en de aansluiting met een groot deel van zijn herkomst.

De grootste verdienste van Gardner is dat hij een tot dan een niet en/of weinig onderkend probleem op de kaart heeft gezet en het bespreekbaar heeft gemaakt. Maar het neemt niet weg dat zijn these en onderzoek op heel wat kritiek botsten.

Ten eerste rezen er vragen bij het gemis aan een wetenschappelijk gefundeerde basis voor het onderzoek van Gardner. Hij doet vooral een beroep op zijn eigen werk gerelateerde ervaringen die vertrekken vanuit dienstverlening aan de verstoten ouder. De objectiviteit van het onderzoek van Gardner kan dus sterk in vraag gesteld worden. Ten tweede kunnen er vraagtekens gezet worden bij de term” syndroom”, een etiket dat enkel het kind krijgt geplakt. Op deze manier gaat men voorbij aan het belang van de interacties tussen de ouder(s) die gedefinieerd worden vanuit een dader- slachtofferperspectief. Ten derde haalden de tegenstanders aan dat Gardner enkel de programmerende ouder als schuldige aanduidt in het complexe vervreemdingsproces. Ten vierde uitten de tegenstanders de bedenking dat, het relatief hoge aantal vechtscheidingen in contrast staat met het lage aantal kinderen dat lijdt aan PAS. Dus niet alle kinderen die geconfronteerd worden met een hoog conflictueuze echtscheiding worden het slachtoffer van PAS. Langs de andere kant zijn er ook kinderen die de symptomen van PAS vertonen, zonder dat hun ouders in een echtscheiding verwikkeld zijn. PAS kan, met andere woorden, ook voorkomen bij kinderen die opgroeien binnen een conflictueus huwelijk.

Kelly & Johnston

Kelly & Johnston hebben heel wat weerwerk geboden tegen de PAS-definitie van Gardner, die volgens hen te nauw en simplistisch was. Voor hen is PAS een problematiek die door het ganse familiesysteem in werking wordt gezet en in stand wordt gehouden.

Voor hen is het belangrijk dat niet één persoon verantwoordelijk wordt gesteld voor het vervreemdingsproces. Zij zien PAS eerder als een reageren van het kind op de angstaanjagende en complexe dynamiek van de echtscheiding, het gedrag van de ouders en de kwetsbaarheden van het kind.De dynamiek die hierdoor tot stand komt, maakt dat kinderen vatbaar kunnen zijn voor het vervreemden van een ouder.

Ouderverstoting (en -vervreemding) wordt, volgens Kelly & Johnston, dus mogelijk gemaakt in de zeer complexe interactie die zich afspeelt tussen het kind en de twee ouders, waarbij het verleden en de relatiestructuur voor de scheiding een belangrijke impact heeft in de huidige beslissingen van het kind. Wanneer het kind tijdens het huwelijk bv. al werd gebruikt als bemiddelaar tussen de ruziënde partners of als één van de ouders het kind gebruikte om zijn/haar emotionele kwetsuren te ontladen, is het mogelijk dat het kind een verband sluit met deze veeleisende, afhankelijke ouder. Wanneer deze dynamiek mee in het scheidingsproces wordt genomen, kan dit ouderverstoting in de hand werken. 

Ouderverstoting (en -vervreemding) wordt, volgens Kelly & Johnston, dus mogelijk gemaakt in de zeer complexe interactie die zich afspeelt tussen het kind en de twee ouders, waarbij het verleden en de relatiestructuur voor de scheiding een belangrijke impact heeft in de huidige beslissingen van het kind. Wanneer het kind tijdens het huwelijk bv. al werd gebruikt als bemiddelaar tussen de ruziënde partners of als één van de ouders het kind gebruikte om zijn/haar emotionele kwetsuren te ontladen, is het mogelijk dat het kind een verband sluit met deze veeleisende, afhankelijke ouder. Wanneer deze dynamiek mee in het scheidingsproces wordt genomen, kan dit ouderverstoting in de hand werken. 

Hierna zullen we de belangrijkste actoren, volgens Kelly & Johnston, verder uitwerken.

1. De inwonende ouder

De inwonende ouder kan het kind gebruiken als klankbord of vertrouwenspersoon tijdens het proces van de echtscheiding. Op deze manier krijgt het kind informatie over de uitwonende ouder die gekleurd is door ‘het verhaal van de inwonende ouder” en de (v)echtscheiding te horen die niet voor zijn oren bestemd zijn. Toch vormt deze informatie in grote mate het beeld dat het kind van zijn uitwonende ouder heeft. Wanneer de vechtscheiding te lang aanhoudt en het kind de uitwonende ouder lange tijd niet ziet, is het geneigd de “slechte” uitwonende ouder te verstoten. De uitwonende ouder heeft de mogelijkheid niet om het negatieve beeld dat het kind van hem/haar heeft recht te zetten en ziet zijn/haar kind door zijn/haar vingers glippen.

Soms ziet de inwonende ouder de andere ouder effectief als een potentieel gevaar voor het kind.Hierdoor voelt hij/zij zich gesterkt om gevecht tegen de ex-partner aan te gaan. Om het gelijk aan zijn/haar kant te halen, worden geen middelen gespaard. De inwonende ouder wil zoveel mogelijk bewijsmateriaal tegen de slechte ouder bij elkaar sprokkelen door vb. de huisarts, het CLB,therapeuten, leerkrachten, ... te raadplegen. Advocaten gebruiken dit bewijsmateriaal in de rechtbank om verblijfsregeling in het voordeel van hun cliënt te laten beslechten.

Als het kind op bezoek gaat bij de uitwonende ouder, kan de inwonende ouder ieder uur bellen om na te gaan of alles ok is. Na het bezoek kan hij/zij het kind uitgebreid ondervragen om te zoeken naar negatieve gevoelens en/of gebeurtenissen. Hij/zij zal deze dan uitvergroten en het kind er zo van overtuigen dat zijn andere ouder hem/haar niet graag ziet. Het bange en gekwetste kind kan hierop reageren door de uitwonende ouder af te stoten. Vaak projecteren de ouders het eigen verdriet of de eigen gevoelens op het kind. Wanneer de inwonende ouder de echtscheiding als vernederend aanvoelt, kan hij/zij geneigd zijn om het verstotingsgedrag aan te moedigen. Zijn/ haar gevoelens van wraak en woede kunnen een vertaling vinden in het “bewerken” van het kind.

2. De uitwonende ouder

Ook de uitwonende ouder kan het vervreemdingsproces (ongewild) aanmoedigen door de vechtscheiding passief te ondergaan of zich helemaal terug te trekken. Hiervoor zijn diverse‘redenen’ aan te halen. Veelal vinden kinderen dit het teken dat hun ouder niet (genoeg) van hen houdt en voelen zij zich gekwetst door hem/haar.

Ouders die door hun kind verstoten worden, voelen zich vaak gekwetst en niet-respectvol behandeld. Als reactie gaan zij hun kind op hun beurt verstoten. Deze dynamiek tussen het kind en de uitwonende ouder kan de inwonende ouder aangrijpen om de andere ouder af te schilderen als “slecht” en “niet geïnteresseerd”. 

Soms kan de opvoedstijl van de uitwonende ouder, vb. “hard” of met weinig empathie, een invloed hebben op het verstotings-en vervreemdingsproces. Ouders die bij de scheiding hun eigen noden voor die van de kinderen zetten, worden door de kinderen als egoïstisch bestempeld. Dit gedrag van hun ouder zal negatief doorwegen in de beslissing aangaande de verblijfsregeling.

De nieuwe partner van de uitwonende ouder kan het kind voor zeer grote loyaliteitsconflicten plaatsen, zeker wanneer deze nieuwe partner de breuk tussen zijn/haar ouders veroorzaakte. Het kind voelt zich verlaten en verraden door de ouder met de nieuwe partner. Een bijkomende risicofactor hierbij, die binnen de context van de VS wordt aangehaald, is de geloofsovertuiging van de inwonende ouder en diens familie of gemeenschap. Wanneer het gedrag van de uitwonende ouder door hen bestempeld wordt als “goddeloos en immoreel”, zal dit waarschijnlijk ook zo door het kind overgenomen worden.

3. De impact van derden

De rol van broer(s) en of zus(sen) in het proces dat uiteindelijk resulteert in de symptomen die onder PAS gediagnosticeerd worden, mag niet onderschat worden. De verhalen die broers en/of zussen vertellen over de uitwonende ouder hebben sowieso een impact op het kind. Het is mogelijk dat deze verhalen een negatieve invloed hebben op de beeldvorming van het kind over de uitwonende ouder en zo de ouderverstoting in de hand werken. Toch wijzen de onderzoekers ook op de helende werking die deze verhalen kunnen hebben. Voor een goede verwerking van de traumatische situatie is belangrijk, dat broers en zussen steun vinden bij elkaar. Deze steun vergroot de draagkracht van het kind.

Ook familie en vrienden oefenen een invloed uit op de relatie tussen het kind en de uitwonende ouder. Het gevaar schuilt er in dat ze niet onpartijdig zijn en deze partijdigheid laten doorschemeren in hun gedrag en communicatie. Het is in het belang van het kind dat vrienden en familie een neutrale kijk op de situatie behouden. Door geen positie te kiezen, kunnen zij de kinderen de veiligheid gevendie ze (tijdelijk) bij hun mama of papa missen. Deze kinderen hebben zo veel te verduren, dat alleen al een luisterend oor veel soelaas kan bieden.

De verschillende actoren binnen de hulpverlening en de juridische wereld kunnen niet buiten schot blijven wanneer we het over PAS hebben. Familierechters, individuele therapeuten en hulpverleners kunnen wel degelijk een negatieve invloed hebben op het verstotingsproces. Vooreerst blijkt dat rechters en hulpverleners niet voldoende onderlegd zijn in deze complexe problematiek. Vaak (h)erkennen zij de symptomen van ouderverstoting niet.

Verder moet ik vaststellen dat bij het niet naleven van de opgestelde verblijfsregeling, de rechter amper sancties uitspreekt tegen de inwonende ouder. 

Contextuele visie

Het contextuele denken legt de nadruk op de loyaliteit tussen ouder en kind en de “balans tussengeven en nemen”. Kinderen ontvangen van hun ouders het geschenk van het leven. Ze hebben ten opzichte van hen een existentiële schuld die ze nooit zullen kunnen vereffenen. Deze dankbaarheid om het leven vertaalt zich in een onvoorwaardelijke loyaliteit van het kind. Deze onverbrekelijke band tussen ouder en kind is bepalend voor de ontwikkeling van het kind. Het is dan ook belangrijk dat kinderen deze band positief kunnen invullen.

Wanneer de ene ouder zijn kind overlaadt met negatieve informatie over de andere ouder,beschikken ze niet over de nodige elementen om deze band positief in te vullen. Erger nog is het wanneer de ene ouder verwacht dat het kind de verbondenheid naar de andere ouder doorknipt. Op deze manier worden kinderen gedwongen partij te kiezen voor één van hun ouders. Dit fenomeen wordt benoemd als gespleten loyaliteit.Het basisvertrouwen, dat kinderen opbouwen doorheen een betrouwbare en passende relatie met zijn primaire verzorgers, kan ernstig beschadigd worden, doordat er geen relatie kan opgebouwd worden met één van de ouders.

Lieve Cottyn, klinisch spychologe gespeciliseerd in het werken met kinderen in vechtscheiding, stelt dat wanneer ex- partners verwikkeld zijn in een zeer conflictueuze echtscheiding, ze alleen nog maar oog hebben voor hun eigen gelijk halen en hun eigen waarheid. Het gevecht neemt hen helemaal in beslag en zo verliezen ze niet enkel zichzelf maar ook hun kinderen. Het gezamenlijke doel, het beste voor de kinderen, bestaat niet meer. Alle beslissingen worden over de hoofden van de kinderen genomen. De kinderen ondergaan de conflicten zonder enige stem. Zeworden niet gevraagd naar hun mening bij het opstellen van de verblijfsregeling. De ouders drukken hun eigen mening door, wat nefast kan zijn voor de ouder-kind band met één van de ouders.

Verdrag van de rechten van het kind

Het Parental Alienation Syndrome gaat tevens in tegen het Verdrag inzake de rechten van het kind, dat in artikel 7 stelt dat een kind “voor zover mogelijk, het recht heeft zijn ouders te kennen en door hen te worden verzorgd”. Dit verdrag, dat België in 1992 ondertekende, stelt heel duidelijk dat kinderen de mogelijkheid moeten krijgen om hun ouders te kennen en dat ouders de mogelijkheid moeten krijgen hun kinderen te verzorgen. Verder stelt artikel 9 dat kinderen het recht hebben om contact te onderhouden met beide ouders, wanneer het kind gescheiden leeft van één of van beide ouders.

PAS betekent vanuit dit perspectief een inbreuk tegen de rechten van het kind. Wel is het niet duidelijk of dit verzorgen door beide ouders te tegelijkertijd dient te gebeuren of dat er even een pauze mag ingelast worden door het kind. Er staat ook te lezen dat aan dit recht moet voldaan worden “indien mogelijk”. Maar wat betekent “indien mogelijk”? Omvat het ook het gevecht omwille van de verblijfsregeling? Als kinderen over het recht beschikken om het contact te behouden met één of beide ouders, maakt dat dan ook dat ze het recht hebben om dat contact te verbreken?

In artikel 12 wordt gewezen op het recht van het kind om zijn of haar mening te vormen en die vrij te uiten, waarbij aan die mening een passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd. Het kind kan gehoord worden in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft. Dit kan rechtstreeks of door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een geschikte instelling.

Eigen ervaring

Ik huiver van de bovenvermelde termen om aan te duiden wat mij is overkomen. Ze gaan voorbij aan de complexiteit van de problematiek. Verder leggen ze te veel nadruk op het kind als dader of slachtoffer. Ik spreek liever over contactbreuk (tussen kind en ouder na vechtscheiding) want dat is ook wat er effectief gebeurd is. Het contact tussen mij en mijn vader werd verbroken door een aanslepende vechtscheiding, waarvoor de verantwoordelijkheid niet bij mij kan gelegd worden.

Voor een kind is het trouwens onmogelijk om een ouder te verstoten, het is namelijk existentieel met zijn beide ouders verbonden. Ik geloof er dan ook sterk in dat de meesten kinderen/jongeren op latere leeftijd terug de banden willen aanhalen, en op zoek gaan naar hun gemiste ouder. Dit heb ik ook gedaan.

Ik was drie jaar toen mijn ouders uit elkaar gingen. Negen lange jaren heb ik de verwijten en ruzies kunnen trotseren. Toen was ik op, ik kon niet meer! Ik kreeg lichamelijke klachten (migraine) en ticks. Op een gegeven moment, heb ik dan voor rust en voorspelbaarheid "gekozen" en heb ik tegen mijn vader gezegd dat ik niet meer zou meekomen. Op deze manier heb ik de al jarenlange aanhoudende stress, hooglopende conflicten en onveiligheid uit mijn leven gebannen.

De vechtscheiding maakte pijnlijk kenbaar dat mijn vader niet wist hoe hij met zijn dochter moest omgaan. Ik heb geen leuke herinneringen aan mijn tijd met hem. Vaak deden we wat hij graag deed of ging hij er alleen op uit en liet hij mij achter bij mijn grootmoeder of familie.

Toen ik achttien was, heb ik geprobeerd het contact te herstellen, maar dat is helemaal misgelopen. Ik was naar hem gegaan om over mij en hem te praten, niet om alle verwijten nog eens te horen. Op dat moment had ik me voorgenomen dat ik hem nooit meer wilde zien. Alhoewel er in mijn achterhoofd nog steeds de gedachte leefde dat ik hem ooit nog wel eens zou tegenkomen. Aan deze gedachte kwam abrupt een einde toen ik in november 2008 de boodschap kreeg dat hij was overleden naar aanleiding van een werkongeval.